
Van 14 tot en met 24 augustus was Jan Vandermeeren weg. Frankrijk, centraal, ergens tussen Boussac en Montluçon. Hij nam de camper mee, twee fietsen en een Kobo, en trok er alleen op uit. Hij kwam terug met 211 foto's en drie ritten op Strava. Ik ging bij hem zitten en vroeg hoe het was.
Je bent op 14 augustus vertrokken. Hoe zag dat vertrek eruit?
Om half zeven ben ik vertrokken. Vroeg genoeg. Zo ben je voor de drukte weg en sta je tegen de middag al ergens in Frankrijk aan een tafel.
Onderweg gestopt voor een club sandwich uit zo'n plastic doos en een Orangina. Dat is pure nostalgie voor mij, en eerlijk gezegd een guilty pleasure. Thuis zou ik dat nooit eten. Op een Franse parking smaakt het opeens.

Waar ben je terechtgekomen?
In de streek rond Boussac, in de Creuse. Dat is centraal Frankrijk, tegen de Berry en de Bourbonnais aan. Weinig mensen, veel bos en heel veel kleine wegen. Qua landschap is het een beetje de Ardennen, maar dan in het groot. Je rijdt er kilometers zonder een auto tegen te komen. Ik heb daar met de camper op een camping gestaan, onder de bomen, met de luifel uit en een lichtsnoer eraan. Elke avond dezelfde plek, elke ochtend een ander licht.
Je bent alleen vertrokken. Waarom?
Om rust te zoeken, gewoon. In de winkel ben ik de hele dag met mensen bezig. Er komt iemand binnen terwijl je met iemand anders bezig bent, de telefoon gaat, en dat gaat door tot je sluit. Ik doe dat graag, anders zou ik het niet doen. Maar er komt een moment dat je hoofd vol zit.
Dus ben ik alleen vertrokken. Er zijn daar dagen geweest dat ik tegen niemand iets gezegd heb, behalve bonjour tegen de bakker. Dat is geen drama. Je merkt na een paar dagen dat je minder zit te malen.
En die streek helpt daarbij. De pleinen zijn leeg, de kerk is dicht, er kijkt niemand naar je om. In het begin vind je dat raar. Na drie dagen zoek je het op.
Hoe zag zo'n dag eruit?
Simpel. Ik stond op, zette een espresso, roosterde brood op de camping en at een zacht gekookt ei met wat zout uit de molen. Dan zat ik daar aan die klaptafel met mijn Kobo ernaast. Geen haast.
En dan besliste ik of ik ging rijden of niet. Dat was de enige beslissing van de dag. Ik heb ook gewoon dagen gehad waarop ik gebleven ben en gelezen heb, met mijn voeten in het zwembad. Philip Kerr, en een boek over leiderschap dat ik al een tijd wilde uitkrijgen.

Welke fiets had je mee?
De i:SY P12 Speed. Dat is voor mij de ideale fiets voor lange ritten op vakantie, zeker met een tweede accu mee. Die zit niet op de fiets, die gaat in de tas. Met een volle accu haal ik ongeveer 54 kilometer, en dat is dan met flink klimwerk erbij. Voor de lange ritten ging de reserve dus altijd mee. Ik omschrijf hem meestal als een motorvervanger. Zelfde sfeer als met een motor op weg gaan: je vertrekt 's ochtends, je rijdt een lus, je stopt waar het je aanstaat, je komt 's avonds terug. Alleen eenvoudiger. Een helm draag ik wel, maar gewoon een fietshelm, geen zware kap over je hoofd. Geen benzine, geen lawaai. Je hoort waar je rijdt.

Er stond nog een tweede fiets op de drager.
Mijn racefiets. Die is er elf dagen op blijven staan. Ik heb hem geen enkele keer afgehaald, gewoon omdat rijden met de P12 zo leuk was. Dat had ik vooraf niet zien aankomen. Ik dacht: de ene voor de sportieve dagen, de andere voor het rustige werk. Maar als je eenmaal die lus van honderd kilometer kan doen met tassen, brood en water erbij, dan is er geen reden meer om iets anders te nemen.
De eerste rit was op 17 augustus, "Boussac en omgeving". 74,8 kilometer en 1.058 hoogtemeters, in 4 uur 55.
Dat was de verkenningsrit. Ik wist nog niet wat de streek zou geven, dus ik heb er de tijd voor genomen. Vandaar die bijna vijf uur: veel gestopt, veel gekeken. Het kasteel van Boussac, een paar dorpspleinen waar echt niemand was, een werf aan de rivier. Dat is het aangename aan zo'n eerste dag: je hoeft niets te halen.
Ik stop trouwens bij zowat elke dorpskerk en probeer dan binnen te gaan. Lang niet altijd is ze open, maar als het lukt sta je daar alleen in de koelte. Je verwacht een grijze bak en dan is het binnen ineens vol kleur.


Wat me opviel: die 1.058 hoogtemeters voelen niet als klimmen. Het is golvend. Je gaat de hele dag omhoog en omlaag zonder ooit een echte col te zien. Aan het eind heb je toch meer dan duizend meter in de benen zitten.

Twee dagen later, La Châtre. 84,5 kilometer, 1.143 hoogtemeters, maar in 3 uur 10. Veel sneller.
Omdat ik toen wist waar ik naartoe ging. Je stopt minder als de streek geen verrassing meer is. Ik was die dag om kwart over zes 's ochtends op en vroeg weg. Dat is ook het aangenaamste moment om te rijden: koel, leeg, en de zon staat nog laag over de velden. Ik ben die ochtend een uur gereden voor ik iemand tegenkwam.
Op het einde van die rit stond op mijn display 89,5 kilometer, 969 hoogtemeters en nog 14 kilometer bereik. Dat is dus vrij nipt, ook met de tweede accu erbij. Je moet er wel over nadenken hoe je die kilometers verdeelt.

En dan de grote: 21 augustus, Montluçon. 100,7 kilometer, 1.437 hoogtemeters, 3 uur 57. De titel op Strava is: "Montlucon. En terug. En hapje gegeten. En klein wandelingetje gemaakt."
Die titel vat het samen. Het was een dag waarop alles klopte. Honderd kilometer heen en terug, en tussendoor heb ik in Montluçon iets gegeten op een terras en ben ik de oude stad in gewandeld. Er is daar een punt waar je over alle daken kijkt, met dat rode pannendak overal. Mooi.
Onderweg ben ik ook over een oude brug gereden, zo'n lange met rood ijzerwerk aan beide kanten. En er hing een bui aan de horizon die er dreigender uitzag dan ze was. Ik heb daar een foto van gemaakt en ben er gewoon onderdoor gereden.
Samen zijn dat 260 kilometer en 3.638 hoogtemeters. Ik reed om de andere dag: een rit, en dan een dag lezen en luieren. Daardoor voelt het niet als veel. En met ondersteuning is het gewoon een lange dag buiten. Het gaat niet om dat cijfer. Wat blijft hangen is dat je die streek anders ziet dan met de auto. Je hoort de honden blaffen in de dorpen, je ruikt of iemand aan het maaien is, je stopt bij een bloem in de berm omdat ze mooi staat.


Op bijna elke foto zit er een gele eend op je zadel.
Dat is onze i:SY rider. Die gaat al een tijd mee op onze social media, en hij is dus ook mee naar Frankrijk gereden. Van Hoboken tot Montluçon en terug, altijd op dezelfde plaats. Als je elf dagen alleen bent, is dat gezelschap.
Vertel eens over het eten.
's Middags ging ik meestal ergens lunchen. Voor twintig euro krijg je daar een menu van drie gangen, met koffie en een glas wijn erbij. Heerlijk.
's Avonds was het dan simpel. Chips en een glas rosé onder de luifel. Cassoulet uit blik in de pan, met een stuk brood en een glas crémant erbij, en dat smaakt daar beter dan het klinkt. Een keer een pastis met chips terwijl ik in een huizenkrant zat te bladeren. Op terras heb ik een paar keer een koffie genomen met een galette erbij, en een pint na de rit.
En sla. Ik heb daar veel sla gegeten, met sardienen erbij, wat kaas, en brood met tomaat. Dat is de camperkeuken: je maakt iets van wat er is, en met goede sardienen en vers brood heb je eigenlijk niets meer nodig. Als je alleen bent moet je voor niemand anders koken, dus je maakt gewoon waar je zin in hebt.

En de avonden?
Daar zat de meeste rust. Ik had een hangmat gespannen en een lichtsnoer onder de luifel gehangen. Dan lig je daar met je voeten omhoog, het wordt donker tussen de bomen, en er gebeurt niets. Elf dagen niets moeten. Dat heb ik nodig gehad.

Was het altijd goed weer?
Nee, en dat is prima. Er waren stralende dagen met een strakblauwe hemel, maar ook een ochtend waarop het 16,5 graden was in de camper en ik blij was met een warme trui. En die bui op de rit naar Montluçon. Wisselend weer is eigenlijk aangenamer dan tien dagen aan een stuk zon.

Je bent op 24 augustus teruggekomen. Hoe was dat?
Traag. Een beetje file op de périphérique rond Parijs, en dan zit je daar met je camper in de rij en denk je aan die lege wegen van drie dagen eerder. En verder naar huis natuurlijk de Kennedytunnel, want die staat altijd. Maar dan komen die borden: Brussel, Luik, Breda, Antwerpen-Centrum. Dan ben je thuis.
Wat neem je mee naar de winkel?
Dat die fiets het gewoon gedaan heeft. Drie stevige ritten, zandwegen, klimmen, tassen vol, en geen enkel probleem. Als hier iemand vraagt of zo'n fiets echt op vakantie kan, moet ik niet meer gokken. En mijn racefiets is elf dagen ongebruikt op de drager blijven staan, dat zegt genoeg.
Ik ben daar ook elke dag vertrokken zonder plan, en 's avonds had ik toch een dag gehad die de moeite was. Daar heb je Frankrijk niet voor nodig. Een namiddag richting de Schelde doet ongeveer hetzelfde, alleen korter.

Wil jij ook jouw verhaal delen? Laat het ons weten in de winkel of via winkel@xtr-shop.be.
De fiets van dit verhaal
260 kilometer in een week, met tassen, brood en water. En een tweede accu in de tas.